Daar stond ik dan. Alleen. Alleen in een winkel waar je maar weinig mensen ook alleen rond ziet lopen. Erg druk was het niet. Alleen in het restaurant. Het is half zes, niet zo gek dus. Eerst nog even naar de wc, al dat water van de dag even kwijt raken. Nadat ik geplast heb was ik mijn handen. Naast mij staat een man zijn neus leeg te snuiten in de wasbak. Een spray van donkere stukjes landt in de wasbak. Even vraag ik mij af of het ok gaat met deze man. Met een schuin oog blijf ik hem even bestuderen. Uiteindelijk besluit ik, aan de hand van de man zijn kleding, dat het een klusser is die al de hele dag in een vieze omgeving aan het werk is geweest.

Ik loop de trap op. De grote borden lokken mij naar de showroom. Maar die vermijd ik. Meteen als ik boven ben neem ik de trap naar beneden. Ik probeer rustig te lopen. Als ik alleen ben ben ik meestal geneigd snel te lopen. Maar rustiger is beter hier. M’n fleece doe ik open. Handen in m’n zakken? Of gewoon los? De zakken winnen. Maar wel een beetje ongedwongen nonchalant. Zouden mensen afvragen waarom ik hier alleen loop? En waarom ik geen karretje of gele tas bij me heb? Het maakt me niet uit ook.

Af en toe moet ik even lachen om van die typische IKEA situaties die ik passeer. Ouders met geïrriteerde kinderen. Kinderen met geïrriteerde ouders. Ouders met een kind dat het huis uit gaat. Grapjes die met een snauw worden beantwoord. Allemaal leventjes. Inkijkjes. Mijn fleece doe ik ondertussen uit en doe ik in mijn rugzak. Zouden er mensen kijken? Denken ze dat ik iets aan het jatten ben? Zal wel niet. Toch? Ik probeer zo nonchalant mogelijk weer verder te gaan.

Daar staan ze. De bakjes die ik zocht. Even dacht ik dat ze tegenvielen in het echt. Maar dat valt wel mee. Ik vind ze wel leuk. Simpel. Strak. Iets kleiner dan dat ik dacht dat ze waren. Da’s goed. In deze bakjes zijn komt de inhoud van mijn rommellade. Dus dan moet ik die nog maar eens goed uitzoeken. Ik neem ze mee. Is meteen dat handen-probleem opgelost. Ook de SKUBB en de STÖTTA neem ik mee. Met m’n drie spulletjes wandel ik rustig rond. Even checken of geen van drie een impulsaankoop is. Nee. De bakjes lost m’n rommellade op. De SKUBB m’n waar-laat-ik-m’n-muts-en-handschoenen-probleem en de STÖTTA m’n handmatige-licht-in-de-kast-probleem. Plus nu kan het LED-lampje van de kast naar de afzuigkap. Dat was nog een gloeilamp. Check. Geen onnodigheden: kassa!

Bij de zelfscankassa was ik snel klaar. Makkelijk. Na de kassa twijfel ik even of ik wat te eten moet kopen. Ik heb honger en het ruikt lekker allemaal. Maar thuis staat nog een bakje in de koelkast op mij te wachten. Ook lekker. Buiten zie ik hoe mensen zich verkeken hebben in of de grootte van hun auto, of de grootte van hun IKEA spulletjes. Van binnen lach ik.

Het is ruim twee kilometer lopen naar het station. De heenweg heb ik dat met Google Maps gedaan. De terugweg doe ik zonder! Kijken of dat lukt.

Het begint te regenen. M’n fleece met capuchon zat nog in mijn tas. Jammer dan. Ik besluit me maar nat te laten regenen. Het leek me leuk te proberen om ervan te genieten. Zo rechtop mogelijk lopen, met een lichte glimlach. Mensen met grote jassen en paraplu’s passeren. Ik vraag me af wat ze denken. “Mafkees.”. “Is hij z’n jas vergeten?”. “Het is februari, gek!”. Fuck it. Ik vind het eigenlijk best wel lekker. M’n wenkbrauwen zitten inmiddels vol druppels en water druipt langs m’n hoofd. Koude handen. Het is prima zo. Laat het nog maar even niet ophouden. Yes! Ik geniet.